Foto Pixabay

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB) publiceerden vandaag een onderzoek waarin een aantal varianten voor nationale CO2-beprijzing werden onderzocht. Uit het onderzoek komt een uniforme CO2-beprijzing voor alle sectoren naar voren als een relatief goedkope maatregel om de uitstoot te reduceren. Wel is er een groot risico op verplaatsing van uitstoot naar het buitenland.

Afgelopen dinsdag werd het wetsvoorstel voor de nationale CO2-minimumprijs voor elektriciteitsproducenten ingediend. Naast deze maatregel voor deze specifieke sector, bestaan er ook binnen andere sectoren diverse soorten belastingen gericht op o.a. het tegengaan van CO2-uitstoot. Het PBL en CPB stellen op basis van hun onderzoek dat een scenario waarin binnen alle sectoren hetzelfde tarief voor CO2-uitstoot geldt, leidt tot de relatief goedkoopste manier om de uitstoot terug te dringen. Voorwaarde is wel dat er maatregelen worden genomen om verplaatsing van uitstoot naar het buitenland te voorkomen.

Gelijke beprijzing CO2 voor alle sectoren

Gezien het effect van de uitstoot van CO2 op klimaatverandering, bestaat er maatschappelijk een vraag naar het belasten van deze negatieve impact. Dit moet voor een prikkel tot verduurzaming en/of besparing zorgen. Per sector kunnen aparte maatregelen worden ingesteld, of er kan één algemeen geldende prijs per ton uitgestoten CO2 worden belast, onafhankelijk van de sector.

Deze week werd de eerste stap gezet voor opnieuw een maatregel voor een specifieke sector met het wetsvoorstel voor een minimum CO2-prijs voor elektriciteitsproducenten: dit zijn elektriciteitscentrales en fabrieken die tijdens hun productie ook energie opwekken. De minimumprijs werd overeengekomen aan de klimaattafels van het Klimaatakkoord. Omdat voor deze sector reeds een CO2-prijs bestaat, het Europese ETS, treedt deze minimumprijs alleen in werking wanneer de ETS-prijs onder het niveau van de minimumprijs terecht komt.

Het prijspad dat van €12,30 per ton in 2020 naar €31,90 per ton in 2030 oploopt, is echter dusdanig lager dan de verwachte ETS-prijs dat deze naar verwachting niet in werking zal treden. Dit zijn de betrokken partijen overeen gekomen, omdat anders een gevaar voor de leveringszekerheid zou dreigen. Voor de eigen gascentrales zou productie te duur worden, waardoor Nederland teveel afhankelijk zou worden van de import van elektriciteit. Het huidige prijspad is dan ook vooral bedoeld om bedrijven zekerheid te bieden over de mogelijke ondergrens, en ze daarmee te stimuleren te verduurzamen.

Het PBL en CPB hebben een ander scenario doorgerekend: een uniforme CO2-prijs voor alle sectoren (industrie, gebouwde omgeving, landbouw, transport, etc.). Daarmee worden alle verschillende bestaande nationale belastingen op CO2-uitstoot vervangen door één tarief per ton uitstoot. Ter vergelijking werd ook een scenario doorgerekend waarin alleen de intensieve industrie extra werd belast, dit leidde tot minder goede resultaten. Wel wordt bij het vervangen van bestaande belastingen rekening gehouden met de andere nadelige effecten waar deze belastingen op zijn gericht (luchtvervuiling, congestie, etc.), zodat in sommige gevallen geen sprake is van volledige vervanging. Ook wordt voorkomen dat dezelfde uitstoot dubbel wordt belast, bij zowel productie als bij gebruik.

Weglekken naar het buitenland

Uit de berekeningen van het PBL en CPB komt de uniforme CO2-belasting naar voren als een kosteneffectieve maatregel die leidt tot lagere maatschappelijke kosten dan andere vormen van klimaatbeleid. De reden hiervoor is dat onder meer een verschuiving optreedt van relatief dure opties om CO2-uitstoot te reduceren in niet-ETS sectoren naar relatief goedkope opties om emissies te reduceren in de ETS-sectoren.

Er moet echter rekening gehouden worden met de open markt waar Nederland deel van uitmaakt. Voor bepaalde sectoren geldt dat zij hun activiteiten naar het buitenland zullen verplaatsen. Dit kan industrie zijn die hun productiefaciliteiten verplaatst, of het kan een toename zijn van inkoop van producten uit het buitenland, waardoor de productie daar toeneemt. Ook kan een afname van energieverbruik in Nederland leiden tot een lagere vraag naar fossiele brandstoffen, dit heeft een prijsdaling op de internationale markt tot gevolg waarmee het gebruik elders mogelijk weer toeneemt.

Dit gevaar voor weglekken is reeds een thema bij de nationale minimumprijs voor elektriciteitsproducenten, en dat is bij een uniforme prijs niet anders. Als oplossingen dragen PBL en CPB terugsluis-mechanismen aan, waarmee de belasting via subsidies verduurzaming stimuleert. Ook wordt er gewezen op het belang van het maken van internationale afspraken over CO2-beprijzing, teneinde verplaatsing naar het buitenland minder aantrekkelijk te maken.

Er gaan ook stemmen op om een zwaardere CO2-belasting voor de industrie in te stellen. In het onderzoek werd hiervoor ook een scenario doorgerekend, maar hieruit bleek dat dit hogere maatschappelijke kosten met zich mee zou brengen dan de uniforme CO2-prijs.

, ,

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

code