Foto Pixabay

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft het langverwachte rapport ‘Beschikbaarheid en toepassingsmogelijkheden van duurzame biomassa’ gepubliceerd. In de beleidsvorming richting een klimaatneutraal Nederland in 2050 wordt in diverse sectoren biomassa aangehaald als een potentieel belangrijk middel om de doelstellingen te behalen, maar inschattingen over beschikbaarheid en beste toepassing lopen sterk uiteen. Ook is er steeds meer kritiek ontstaan op het gebruik van biomassa als brandstof, waarbij de duurzaamheid in twijfel wordt getrokken.

In het rapport heeft PBL geprobeerd om een beeld te schetsen van de huidige en toekomstige beschikbaarheid van duurzame biomassa voor Nederland, en op welke manier deze hoeveelheid het beste kan ingezet worden om de klimaatdoelen voor Nederland in 2050 te behalen. De voornaamste conclusie van het PBL is dat er op dit moment geen reëele scenario’s bestaan waarin Nederland zonder de inzet van biomassa klimaatneutraal kan worden, maar dat de beschikbaarheid en de beste inzet van biomassa afhangt vanuit welk perspectief men redeneert. Een eenduidig wetenschappelijk antwoord is op die vraag niet mogelijk. Dit zal politiek vorm moeten worden gegeven in een duurzaamheidskader voor biomassa.

Nederland kan niet in eigen biomassabehoefte voorzien

Het PBL heeft het rapport gebaseerd op een ‘joint fact finding’, waarin bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen naar hun bevindingen is gevraagd, waarna deze zijn getoetst aan meer dan 400 studies en rapporten.

De inschattingen over de hoeveelheid beschikbare duurzame biomassa die hieruit naar voren kwamen hadden een zeer brede bandbreedte, omdat dit afhankelijk is van bepaalde onderliggende aannames over bijvoorbeeld verantwoord biomassa-gebruik. Ook wat men als goede en minder goede toepassingen van biomassa beschouwt verschilt per perspectief. De vijf perspectieven die in dit onderzoek naar voren kwamen waren: klimaat, energie, circulariteit, ecologie en duurzame ontwikkeling.

Wat wel bleek is dat Nederland, ook bij de laagste inschatting van gebruik en hoogste inschatting van beschikbare biomassa uit Nederland, niet in de eigen biomassa-vraag kan voorzien. Mondiaal zou er voldoende beschikbaar kunnen zijn, dit hangt af van de verdeelsleutel (‘fair share’) van de mondiale biomassa over alle landen die hier gebruik van willen maken. Er is ook een onderscheid in welke duurzaamheidscriteria men hanteert. Als Nederland alleen biomassa gebruikt die aan de allerstrengste duurzaamheidscriteria voldoet, zou het op 80% van die biomassa in Europa beslag leggen.

Biomassa heeft risico’s, maar is onmisbaar

Een andere conclusie van het PBL is dat er reële risico’s zijn verbonden aan het gebruik van biomassa voor de biodiversiteit. Hier moeten op internationaal niveau goede waarborgen en monitoring voor worden opgezet. Tegelijkertijd is het onwaarschijnlijk dat de klimaatdoelen van Parijs behaald kunnen worden zonder de inzet van biomassa. Theoretisch is dit mogelijk, maar dan moet men van zulke optimistische aannames over de ontwikkeling van technologieën en processen uitgaan, dat dit te risicovol is als strategie om de doelen te halen.

Ook concludeert men dat het niet mogelijk is om een alomvattende maximaal acceptabele terugbetaaltijd voor de koolstofschuld (die ontstaat bij verbranding van biomassa) vast te stellen. Wel is lager beter, en is de terugverdientijd het laagst wanneer men secundaire en tertiaire reststromen gebruikt (reststromen die vrijkomen bij verwerking of na gebruik).

Iets waar alle betrokken stakeholders het over eens zijn is dat directe verbranding van primaire biomassa één van de minst geprefereerde opties is. Cascadering heeft in alle gevallen de voorkeur, waarbij verbranding voor energie de minst waardevolle en laatste stap in de keten zou moeten zijn.

In dat kader onderschrijft PBL dat de houtpellets die momenteel gebruikt worden in kolencentrales en biomassacentrales altijd afkomstig zijn uit reststromen. De enige volledige bomen die in pellets worden omgezet kunnen voortkomen uit landschapsbeheer of enkele bomen die vanwege de vorm ongeschikt zijn bevonden als constructiemateriaal. Desondanks wijst het PBL erop dat dit goed gecontroleerd moet blijven worden, omdat naleving van de regels uiteindelijk in ieders belang is, ook van de pelletsector.

Overigens neemt PBL de conclusie uit de jaarlijkse Klimaat en Energieverkenning over dat de bijstook in kolencentrales voor 2030 zal stoppen, wanneer ook de subsidie hierop eindigt. Dit betekent ook dat de kolencentrales waarschijnlijk niet over kunnen stappen op biomassa als hoofdbrandstof.

Het PBL biedt met het rapport daarmee niet een eenduidige uitkomst die direct overgenomen kan worden in een duurzaamheidskader. In plaats daarvan benadrukt het enkele punten waar alle stakeholders het over eens zijn, en legt het verder de vele afwegingen zoveel mogelijk bloot die uiteindelijk op basis van een politieke beslissing gewogen moeten worden. Daarmee ligt de exacte rol van biomassa in de komende decennia nog grotendeels open.

, , ,

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

code