Foto Pixabay

Vorige week bracht het college van Bouwen & Wonen van de gemeente Rotterdam een negatief advies uit voor deelname van het Warmtebedrijf Rotterdam (WBR) aan het project WarmtelinQ. Dit project behelst de aanleg van een warmteleiding die restwarmte van de industrie in de haven van Rotterdam naar verschillende Zuid-Hollandse gemeenten moet vervoeren, waaronder Den Haag, Delft en Leiden. Volgens het advies kleven er te veel (financiële) risico’s aan de deelname voor de gemeente Rotterdam (eigenaar van WBR).

De overige belangrijkste partners in het project zijn Eneco, Gasunie en de Provincie Zuid-Holland. Met het wegvallen van het Warmtebedrijf Rotterdam valt hoogstwaarschijnlijk ook het tracédeel tussen Rijswijk en Leiden af, omdat dit deel specifiek van belang was voor WBR. Op donderdag 14 oktober neemt de Rotterdamse gemeenteraad definitief een beslissing over het al dan niet meedoen aan het project, wat ook gevolgen kan hebben voor het voortbestaan van Warmtebedrijf Rotterdam. Gasunie laat weten nog vol vertrouwen te zijn dat eind deze maand een positieve investeringsbeslissing wordt genomen voor in ieder geval de overige onderdelen van het project. De Provincie Zuid-Holland is iets minder zeker, en wil zich ‘herbezinnen’ op het project.

Opnieuw te grote risico’s

Het Warmtebedrijf Rotterdam werd al in 2006 opgericht om restwarmte uit de Rotterdamse industrie in te zetten voor verwarming. Sinds de oprichting is het echter nooit gelukt om het bedrijf winstgevend te krijgen en de gemeente Rotterdam heeft er reeds honderden miljoenen euro’s in gestoken om het bedrijf overeind te houden. Hoe meer belastinggeld er al in het bedrijf is gestoken, hoe zwaarder de beslissing om WBR uiteindelijk af te moeten schrijven, zodat er door de tijd heen steeds nieuwe (mislukte) projecten werden bedacht om het bedrijf aan de praat te krijgen.

Het grootste huidige probleem voor WBR is een contract met een lokale afvalverbrandingsinstallatie voor de afname van warmte. WBR moet deze warmte wel steeds inkopen, maar het lukt niet om hier voldoende afzet voor te creëren. In een uiterste poging werd het plan voor de ‘Leiding over Oost’ opgezet, om de warmte helemaal naar Leiden te vervoeren om aldaar aan een lokaal warmtenet te leveren. Ook hierbij werden opnieuw verplichtingen aangegaan, die uiteindelijk niet konden worden nagekomen, omdat de aanleg van de leiding niet rond kwam.

Als alternatief sloot WBR zich aan bij een ander lokaal warmteproject WarmtelinQ, waarbij deze warmteleiding doorgetrokken zou worden naar Leiden (WarmtelinQ+), zodat de warmte alsnog daar afgeleverd zou kunnen worden. Het college van B&W lijkt nu echter genoeg te hebben gezien van alle eerdere pogingen van WBR en de mislukkingen en negatieve rapporten van o.a. de Rekenkamer Rotterdam die daarop volgden. Ook bij WarmtelinQ+ zouden de risico’s voor de gemeente Rotterdam te groot zijn, en die zou men inmiddels niet meer moeten willen nemen.

Als de levering van warmte aan Leiden niet rondkomt, is de kans op een faillissement van WBR echter aanzienlijk. Dit zou een definitieve afschrijving betekenen van de vele miljoenen euro’s die de gemeente in het bedrijf heeft gestoken, zonder dat dit iets heeft opgeleverd. Donderdag wordt duidelijk of de gemeenteraad bereid is om deze bittere pil te slikken.

Gasunie: “alle lichten staan op groen”

WarmtelinQ, dat ooit begon als het project ‘Leiding door het Midden’ van energiebedrijf Eneco, is sinds eind 2019 overgenomen en uitgebreid door nationale gasnetbeheerder Gasunie. De Staat (eigenaar van Gasunie) ziet in Zuid-Holland de mogelijkheid om een onafhankelijk regionaal warmtetransportnet te realiseren zoals dat ook voor elektriciteit en aardgas gebruikelijk is. Voor warmte ligt dit normaal gesproken ingewikkelder, maar in Zuid-Holland zouden de omstandigheden wel voldoende passend zijn voor dit project. Het gaat in eerste instantie hoofdzakelijk om het rondpompen van Rotterdamse havenwarmte naar steden als Den Haag en Delft, maar in principe kunnen ook andere warmteproducenten zich op het net kunnen aansluiten als zij hiervoor in aanmerking komen.

Voordat Gasunie de rol van netbeheerder voor dit regionale warmtetransportnet op zich mag nemen, zoals het al is voor het landelijke aardgasnet, moet dit wettelijk worden vastgelegd. De nieuwe Warmtewet , waarin dit staat opgenomen, is echter uitgesteld tot er een nieuw kabinet is. Er wordt gesproken over de mogelijkheid om het gedeelte over WarmtelinQ los te koppelen van de Warmtewet, zodat dit los al eerder officieel kan worden goedgekeurd.

Ook moet Eneco als hoofdgebruiker van de leiding nog een handtekening zetten, maar zij zien nog problemen in de rendabiliteit als er niet nog meer subsidies beschikbaar komen. De Europese Unie moet zich intussen nog buigen over eerder toegezegde bedragen vanuit de overheid, om te voorkomen dat er sprake is van ongeoorloofde staatssteun.

De Provincie Zuid-Holland tot slot, ziet het mogelijke afhaken van WBR als een teleurstelling, en wil zich ondanks de intentie om door te gaan met het project opnieuw over de plannen buigen. Wel houdt men de optie open dat het uiteindelijk niet van de grond komt.

Gasunie blijft intussen zeer optimistisch. Men wilde in september de defintieve investeringsbeslissing nemen en hiervoor zouden alle seinen ‘op groen staan’ en van uitstel zou geen sprake zijn. Inmiddels is de definitieve beslissing echter alsnog uitgesteld naar eind oktober.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

code