Foto Pixabay

Afgelopen zondag 14 juni liet Urgenda-voorvrouw Marjan Minnesma in een radio-uitzending van NPO 1 weten twijfels te hebben over het gebruik van biomassa voor energieopwekking. Minnesma adviseert het kabinet te stoppen met de subsidies op dit biomassagebruik en voorlopig aardgas te gebruiken, tot alternatieven voldoende zijn uitgerold.

Nu ook Minnesma zich openlijk tegen biomassa uitspreekt, neemt de druk op deze energiebron nog verder toe. Vorige week maakten D66 en Christenunie bekend niet langer voorstander te zijn van biomassa, nadat de publieke opinie zich in de afgelopen periode steeds meer tegen biomassa heeft gekeerd. Minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat zit daarmee in een lastige situatie, omdat biomassa een belangrijk onderdeel vormt van de te behalen doelen voor duurzame energie in 2020 en 2023, evenals de plannen uit het Klimaatakkoord voor 2030.

Biomassa vormt 58% van duurzame energie Nederland

In het Energieakkoord uit 2013 is afgesproken dat Nederland in 2020 14% van de energie duurzaam wil hebben opgewekt. In 2023 moet dit 16% zijn. Vorig jaar werd nog slechts 8,6% van de in Nederland gebruikte energie duurzaam opgewekt, waarbij biomassa voor 5% verantwoordelijk was (oftewel, 58% van alle duurzame energie).

Overigens richt de kritiek op biomassa zich met name op het gebruik van houtige biomassa in biomassacentrales of voor bijstook in kolencentrales. Deze twee vormen van biomassagebruik droegen in 2019 gezamenlijk 1,6% van het totale energieverbruik bij, maar dit zal naar verwachting de komende jaren toenemen.

Zonder biomassa raken de klimaatdoelen nog verder weg. Op gebied van elektriciteit worden stappen gezet door de bouw van windmolens en zonnepanelen, maar naast deze weersafhankelijke bronnen is ook regelbaar vermogen nodig, om vraag en aanbod in balans te kunnen houden.

Op warmtegebied is de uitdaging nog veel groter. Circa 70% van de warmtevoorziening in Nederlandse huishoudens is gebaseerd op aardgas, maar dit wil men gaan vervangen door duurzame alternatieven. Tot nu toe komen de meeste gemeenten uit bij oplossingen met biomassa in combinatie met een warmtenet, omdat dit de minst ingrijpende en meest betaalbare manier lijkt om bestaande wijken aardgasvrij te maken. Een warmtevoorziening gebaseerd op elektriciteit, bijvoorbeeld door gebruik van warmtepompen, vergt meestal grote investeringen in isolatie van bestaande bouw. Wiebes geeft aan dat er ook draagvlak moet blijven voor de energietransitie, en dat torenhoge kosten hier niet bij helpen.

Biomassa leidt tot meer CO2-uitstoot?

De voornaamste kritiek op houtige biomassa als brandstof, is dat dit meer CO2 zou uitstoten dan zelfs kolen. De energiedichtheid van kolen is groter, zodat er meer biomassa nodig is om dezelfde hoeveelheid energie op te wekken. Het idee is weliswaar dat deze CO2, in tegenstelling tot die uit kolen, na verloop van tijd weer wordt opgenomen door nieuwe bomen, maar volgens o.a. Minnesma duurt dit veel te lang gezien de korte periode die er nog is om de uitstoot te reduceren.

Daarnaast bestaat het beeld dat er (oer)bossen worden gekapt om te verbranden, meestal zelfs aan de andere kant van de wereld. Subsidies voor biomassa zouden het kappen van meer bossen aanwakkeren, waarmee niet alleen schade ontstaat aan de biodiversiteit, maar ook belangrijke koolstofopslag verdwijnt.

Houtige biomassa voor energietoepassingen is in de praktijk doorgaans een restproduct van een andere activiteit. Hout levert als bouwmateriaal of grondstof voor bijvoorbeeld papier vooralsnog meer op dan als brandstof. Om die reden worden met name houtsnippers en onbruikbare takken en stammen die overblijven verwerkt tot houtpellets die dienen voor verbranding. Ook moeten voor het onderhoud van natuurlijke bossen regelmatig bomen worden gekapt, die vervolgens worden verwerkt als brandstof.

Daarnaast bekijkt men de hoeveelheid opgeslagen CO2 in een productiebos niet per boom, maar voor het bos als geheel. In principe blijft deze hoeveelheid voor de meeste productiebossen vrij constant; in de tijd dat één perceel is gerooid, is in alle andere percelen een vergelijkbare hoeveelheid CO2 aangegroeid. Er is dan voor het bos als geheel geen sprake van een ‘terugverdientijd’ van 40 jaar, maar een constante CO2-neutraliteit.

De duurzaamheid van biomassa hangt dus voor een groot deel samen met de omstandigheden van het gebruik. Daarnaast bestaat er, zoals in een onlangs verschenen publicatie van het PBL wordt benadrukt, nog veel verdeeldheid over wat als duurzaam beschouwd mag worden. Wel trekt het PBL, in navolging van grote internationale organisaties zoals het IPCC, de conclusie dat een klimaatneutraal 2050 zonder gebruik van biomassa niet haalbaar is.

De komende tijd zal het kabinet zich moeten beraden over de manier waarop Nederland biomassa zal gaan inzetten voor de klimaatdoelen. Het is de vraag of men zich dan vooral zal gaan richten op de ‘of’-vraag, die het meeste in de aandacht staat, of de ‘hoe’-vraag.

, , , , , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *